‘Het heilige vuur is gedoofd, zo moet u het zien. Alles wat mij opwond is weg. Ik heb geen energie meer. Voordat ik mijn pak aanheb… Als ik om die paal slinger zitten de jongens al in de auto.’
‘Hoelang heeft u dat al?’
‘Sinds de toename van sprenkelinstallaties en alarmsystemen. Die geven meestal vals alarm; dat zijn de zondaars. Dus rukken we voor niets uit en komt je slang niet op spanning. Dan ga je je nutteloos voelen.’
‘Hoe is uw thuissituatie?’
‘Praat me er niet van. Die aanmaakblokjes zijn veel te veilig. Een aangebrande kip, dat is wat er kan gebeuren. Nee, er is geen lol meer aan. En ’s nachts ook niet: geen vreugdevuur, hooguit een waakvlammetje.’


@Han. Prachtig. Ergens heb ik het idee dat ik veel meer lees dan dat er staat. Ook na een paar keer lezen, blijf ik met die gedachte zitten. Mooi!
?? Zolang de brandweerman niet letterlijk opbrandt, is dit een zeer leuke ironie.
@Nele. Nee, daar past de brandweerman wel voor op. Dank je wel!
@Han, leuk stukje. Ik had ooit een zwager en als we daar op bezoek kwamen, was de standaardvraag of het nog een beetje wilde branden in zijn dorp. Brandweermannen zijn pyromanen in de zuivere betekenis van het woord: ze houden van een fikkie.
@Berdien. Dank je wel. Ja, daar houden ze zeker van.
Mooi Han, fijne parallel tussen werk en privé. En ijzersterke titel natuurlijk.
@Inge. Een brandweerman blijft een brandweerman. Hartelijk dank voor je leuke reactie.