Op een feestje bij vrienden vertelde de gastvrouw dat kort daarvoor haar laptop in de trein was gestolen. Ze had een zeer excentrieke laptoptas cadeau gekregen van een rijke relatie.
Eentje met een luipaardprint. Vast een jager die deze trofee wilde.
‘Het moet zijn gebeurd toen ik zo verdiept was in mijn boek,’ vertelde ze. ‘De tas stond vlak bij de prullenbak.’
Ik had een prulding gekregen bij aanschaf van mijn nieuwe laptop en aangezien ik niets kan weggooien, dacht ik bij mijn treinreis naar Londen, deze ook te laten weggrissen.
Zo gezegd, zo gedaan. De tas gevuld met rommel die ik kwijt wilde.
Ik heb een oogje dichtgeknepen toen ik een treinmedewerker de prullenbakken zag legen.
Opgeruimd staat netjes.

Mag ik vragen of de zin: – Het moet zijn gebeurd toen ik zo verdiept was in mijn boek, vertelde ze – ook tussen aanhalingstekens moet?
En natuurlijk ook een song: The Who – Won’t Get Fooled Again … https://www.youtube.com/watch?v=UDfAdHBtK_Q&list=RDUDfAdHBtK_Q&start_radio=1
Levja. Ja, dat moet zeker, behalve vertelde ze. Maar ik begrijp het perspectief niet. Wie is ‘ik’, de gastvrouw of jij?
Dank je Han. Eerst dacht ik wel tussen aanhalingstekens en toen weer niet. Dus wel.
In de eerste alinea heb ik het over de gastvrouw, waar ik het voorbeeld van volg om de laptoptas bij de prullenbak te zetten.