Blauw, haar lichaam was blauw. Blauw als de zee waarin zij zo graag zwom of blauw als de ogen waarin ik zo vaak verzonk. Ze lag daar stil. Zo stil was zij nog nooit geweest, niet bij mij. Haar adem klonk zacht en rook naar de rozen die zij mij cadeau gaf. Haar lichaam was oud en de groeven in haar gezicht verraadden de plekken die zij gezien had en de figuren die zij ontmoet had. Ze was ontiegelijk mooi. Ze was te mooi voor de harde wereld waartegen zij mij behoedde, wilde behoeden. Voor de laatste keer streek ik met mijn koude hand langs haar blauwe lichaam. Wat te mooi was, moest ik vernietigen, voordat iemand anders dat deed.

Pip, welkom bij 120 woorden. Mooi geschreven. Naar mijn smaak (en dat is persoonlijk) zou het in de o.t.t. nóg ietsje sterker zijn.