“Ik ga niet. Alstublieft, alstublieft”, snikte ik als laatste wanhoopsdaad. Tevergeefs. Zijn ijzeren hand in mijn rug duwde me het treinstel in. We bleven in het tochterige tussenhalletje. Ik wierp een laatste blik over het drukke perron. Uit alle macht vocht ik tegen mijn tranen. Zijn adem achter me stonk naar leverworst.
Toen sloten de wagondeuren. De trein ging vertrekken. Ik slaakte een gil. Dit was het dan, het einde. Naast me stak hij een sigaar aan. Ik begon lukraak tegen hem aan te stotteren, maar hij verzette zich tegen mijn smeekbeden. Ik kreeg een schop in mijn gezicht.
Het gefluit van de locomotief overstemde mijn slijpende geschreeuw. De treinreis naar de eeuwigheid was begonnen. De ondergang kent geen eindigheid.

De trein der waanzin. Ik mag er niet aan denken dat dit spook nog altijd rondwaart…
Geen pleziertocht.