‘Niet slaan, maar roeien,’ riep mijn vader vanaf de kant terwijl ik door het water ploegde. Hij noemde me als koter Huppie, wat ikzelf kraaide als hij soms mijn paard was, bonkend over het tapijt. Ik pers mijn lippen op elkaar en probeer te voelen wat boven en onder is, zie niets. Ga zijn bedrijf overnemen – dwaas daaraan te denken. Hij verbood me eerder dan hem de pijp uit te gaan. Met mijn armen maai ik in het rond, een laatste poging de kleuter die van de boot gleed te pakken te krijgen. Eline popt up, onze lieve dochter op schoot. Ik hou het niet meer vol, moet naar boven. Mijn hoofd slaat tegen de klinknagels van de sluisdeur.


Top! Triest als het waar is. Het komt in elk geval geloofwaardig over. Slecht één puntje: onze lieve dochter op schoot. Dan kon je toch niet zien?
In elk geval, petje af.
Bloem