Jaap gaat zitten: ‘Hier hadden wij er vier van thuis.’
Voor ‘maar’ tweehonderd euro kan hij een deeltje van zijn jeugd terugkopen. ‘Jugendstil, meneer.’ Als die antiquair dat niet had gezegd, had ik ‘m misschien geloofd.
‘We waren met z’n vijven. Ik was de jongste en moest op de grond zitten…
Toen we trouwden, maakten we – driehoog-achter – een leefkuil met zitzakken. Alles oranje en bruin. Die ouwe van me kwam er haast niet meer uit.’
Jaap staat weer op: ‘Wat moet ik er eigenlijk mee? Dat kreng doet pijn aan mijn toges en is instabiel – Jugendstil… over mijn jeugd kan ik beter zwijgen. Laat u maar, soms moet je ergens niet te lang bij stilstaan, dan blijf je ermee zitten.’


@Han: mooie filosofische slotzin.
Lisette. Hartelijk dank en leuk dat jij dat wel ziet!