‘Zuid-Frankrijk. Daar woon ik grotendeels.’
‘Zo, dat is niet verkeerd, Annabel.’
‘Voor mijn werk, ik ben oenoloog.’
Ik voel me een oen, ik weet niet wat dat inhoudt.
‘Wijnbouw,’ legt ze aan mijn vragende ogen uit. ‘Je drinkt toch wel wijn bij het eten?’
Annabel walst loensend haar glas, steekt haar harige neus erin, slurpt wat geestelijk vocht naar binnen en sommeert de sommelier een andere fles te halen.
‘Als het maar lekker is,’ zeg ik.
‘Ik proef blind de eerste druiven. “lekker” is een wijn onwaardige constatering’ – ze houdt een zuur verhaal en ik zie vieze voeten voor me die druiven trappen.
‘En wat doe jij?’
‘Ik ben schrijver.’
‘Schrijvers doen altijd zo moeilijk. Als het maar duidelijk is.’


Wat een heerlijk tafelgesprek, de harige neus trekt me volledig de scène in, brrr!
‘lekker’ blijven schrijven, leer ik. Daar blijf ik zoet mee
Ik mis nog: ‘Het wordt niets zonder jou, Annabel!’
Luc, die oproepende gedachte laat ik graag aan de lezer over. En dat blijkt!
Misschien heeft Annabel in Zuid-Frankrijk nog wel ruimte voor een leuke naar woonruimte zoekende zanger/schrijver?
Alice. Haha, dat kun je haar niet aandoen.
Ooh, arme zanger van Annabel…
Lousjekoesje. Dat valt wel mee, hoor.