Ze zit niet goed in haar vel en slappe was.
Aan de overkant hangt een vrouw de schone was op. Ze denkt vast aan van alles, want dat doe je als je de was ophangt.
‘Ze’ en ‘ze’. Twee onbekende personen. Het duurt nog wel even voordat ze op het beton aardt en de juiste persoonsvorm terugvindt – de magnolia zal thuis nu wel in bloei staan. Ze hangt de bloembak op.
‘Ze’ aan de overkant is klaar met de was en sluit de balkondeur.
‘Ze’ als nieuweling weet niet hoe het wordt. Zoals het was wordt het nooit meer. Het was al lang niet meer hoe het was; geen middel tegen bestand. Maar haar vuile was hangt ze niet buiten.


En wat denkt ze tijdens de afwas? Ik wou dat ie af was.
Ewald. Nee, ze denkt: waar blijft die Ewald toch? Kan ik het weer alleen doen!
Ja, ik ga een beetje vrouwenwerk doen…
Ewald, een gedurfde uitspraak in deze tijd.
Knap stuk, Han
Levja, ik dank je hartelijk!