Op weg naar een mooie schaatsvloer – zo’n gezellige dikkerd die je vertrouwt – zie ik een ijsmuts uit een wak steken. Ik ren erheen, glijd bijna uit om te horen: ‘Het is heerlijk!’
‘Man, je laat me schrikken,’ zeg ik tegen de verder naakte man. Ik spreek geen waardeoordeel uit over deze exercitie die je van militairen zou verwachten. Die ijsmuts maakt het wel ridicuul. Vroeger zeiden ze dat je dan geen koude voeten krijgt.
‘Goed voor je immuunsysteem, zeker in deze coronatijd. Jij gaat straks de drukte in waar de aerosolen welig tieren.’ Hij houdt een medisch-technische verhandeling die ik niet snap.
‘En je spieren dan? Kou is daar niet goed voor.’
‘Ach, geloof toch niet alles wat mensen zeggen.’


Han, als ik je redenering goed volg dan zou dus kou voor spieren van militairen niet niet goed voor zijn?
Willem, ik begrijp je niet. Maar wat ik hier dus zeg: ‘Kou is niet goed voor je spieren.’
Han, je schrijft eerder dat je “zoiets van militairen zou verwachten”, maar die hebben toch ook spieren (waar kou niet goed voor is), dus waarom zij dan wel in zo’n wak?
Willem. 1. Ik verwacht eerder een militair (om te trainen, te harden) in een wak dan een willekeurige man.
2. Ik zeg dat kou niet goed is voor je spieren. Dat heeft niets te maken met mijn eerdere constatering onder punt 1.
Is het nu duidelijk? En belangrijker voor dit stukje uiteraard: de waan van de dag.