‘Môgge buurman.’
‘Goedemorgen buurvrouw.’
‘Heerlijk weertje hè?’
‘Ik heb nog niet geproefd.’
‘Ha-ha, grapjas.’
‘Hangt aan de kapstok.’
‘Wat ben je toch een rare kwast.’
‘Altijd nog beter dan een vreemde snoeshaan.’
‘Kun je nu nooit eens serieus doen?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Ik kan wel serieus doen.’
‘Maar je zei nee.’
‘Omdat je mij een ontkennende vraag stelde.’
‘Buurman, wil je niet zo moeilijk doen!’
‘Dat is ook een vraag, maar een retorische.’
‘Jij altijd met je woordgegoochel.’
‘Ik stel nu eenmaal prijs op correct taalgebruik.’
‘Gelardeerd met grapjes dan zeker?’
‘Kijk buurvrouw, u begint het te leren.’
‘Waar moet ik naar kijken?’
‘Zo, gaan we echt leuk doen?’
‘Jij misschien niet meer, maar ik heb de smaak te pakken.’

Recente reacties