‘Neen, nicht Alida, ik heb geen huidhonger. Een belachelijke naam trouwens.’
‘We hebben elkaar al twee maanden niet gezien, dan moet je toch wat missen, Vreeswijk?’
‘Wat dan, nicht Alida?’
‘Ons contact.’
‘Welk contact?’
‘Drie zoenen bij het afscheid, bijvoorbeeld. Dan hebben we toch wel degelijk huidcontact.’
‘Je bedoelt die prikkende haartjes?’
‘Nee, jij bent altijd heel gladgeschoren. Nou ja, veel baardgroei heb je natuurlijk niet.’
‘Ik bedoel niet mijn haartjes, Alida. En vader had ook niet veel baardgroei; dat zit in de genen.’
‘Ja, dat weet ik nog, je vader was zo glad als een aal. Zeker bij het afscheid, hoe hij mij knuffelde…’
‘Knuffelde vader jou?’
‘Jazeker.’
‘Mij nooit.’
‘Toch wel toen je klein was?’
‘Moeder ook nooit.’


Han, de heer Vreeswijk doet me regelmatig aan een oom van mij denken. De geringe baardgroei bevestigt dat beeld nog eens. Nicht Alida wordt steeds enger; nu heeft ze ook al gezichtsbeharing …
@Ewald. Haha, dat had ze al eerder volgens mij. Uitsluitend op haar kin hoor. Misschien uit een wrat.
‘Misschien uit een wrat.’ Oh, dan is het niet zo erg, Han ☺