Mama heeft me een spiegel gegeven, zo een die aan de achterkant je gezicht groter maakt.
Als ik van dichtbij in mijn ogen kijk, in de achterkant van de spiegel, kan ik bijna niet ophouden.
Ik vind het zo mooi om mezelf te leren kennen.
Ik kijk mijn vriendinnen aan, ik wil dat ze mij echt zien.
Maar het is net of ze er niet zijn, of dat ik er niet ben. Alsof ik naar een film kijk.
Soms huil ik er van.
Als ik met papa of de buurvrouw praat zie ik hun gedachten ratelen.
Ze staan niet stil om echt met mij te praten.
Ze kijken nauwelijks.
Soms geven ze een raar antwoord. Horen ze mij dan wel?

Berdien, dit stukje mist naar mijn gevoel de dramatiek die je eerdere versie wel bevatte. Er van moet ervan zijn.
Ewald: dank voor je reactie. Ik wil zien of het lukt om de dramatiek en de ik-vorm te combineren in dit verhaal. Is voor mij een nieuwe manier van schrijven.