De nachten worden kil en vochtig. Spinnenwebben vormen een zilveren krans rond Hisses slaapplaats, als ze ‘s morgens rillend van de kou ontwaakt.
Twee schatten redden haar. De eerste is het mes dat ze van Leifs dode lichaam stal, de tweede haar benen naald. De pelzen van de dieren die ze doodt om zichzelf en Bor te voeden, looit ze met haar eigen urine. Met de linnen draden van haar hemd maakt ze er warme kleding van.
Terwijl de eerste sneeuw valt, denkt Hisse lang na. Een hele winter in het woud zal ze niet overleven. Ze moet verder, maar waarheen? Rechtdoor, besluit ze. Ooit zal ze dan de zee weer zien.
‘Kom Bor,’ zegt ze. ‘We gaan naar Friesland.’


Weer prachtig Hay?
Dank je, Nancy!
Deze keer moest er wel een versnelling in. Als ik vijf stukjes voor de herfst en nog eens vijf voor de winter nodig heb, red ik het niet met de geplande lengte…
@Hay. Dit vind ik de mooiste.
Het eerste, het tweede. Ik zou zeggen De eerste (schat)… de tweede (schat).
Je hebt helemaal gelijk, Han. Ik pas het gelijk aan. Dank!
@Hay. Geen dank!
Dit deel ademt de gehele sfeer. Ik vind het adembenemend.
Prachtig van sfeer, dit deel
Nu snel naar deel 7 🙂