Honderd meter van mij vandaan woonde een klasgenoot met wie ik wel eens knikkerde en beukennootjes zocht op het kerkhof tegenover zijn huis. We waren acht of negen. Hij geloofde heilig dat de kinderen van de ooievaar kwamen, terwijl ik er toen al anders over dacht. Ik was enig kind, hij inmiddels de oudste van negen. Behalve hij allemaal meisjes.
Ik herinner me dat hij zei dat de ooievaar weer eens langs was geweest.
‘Alweer een meisje’. Er klonk enige teleurstelling uit.
Ze aten vaak karnemelkpap of balkenbrij. Armoe troef. Het rook er bedompt. Moeder oogde moe en bozig, vader werkte in een fabriek die ‘De Ooievaar’ heette.
Na werktijd kwam vader thuis. Van die ooievaar kwamen al die zusjes.


Hoi Jose, heb genoten van je bijdrage! Mooie typeringen van de armoede. Goed gevonden, die fabrieksnaam 😉
@ Jose: fijn dat je toch met hem speelde. Omdat je je veilig voelde? 😉
Jose: mooi verhaal over de fabriekszusjes. De uitdrukking is: armoe troef.
@Jose, wat mooi beschreven. Komt het door je achternaam of heb je ooit geschreven dat je uit Brabant komt??
Een authentiek verhaal over armoede.
dank voor jullie reacties. @Lisette, het speelt in de jaren vijftig in Den Bosch, meisjes noemden ze meskes en ze hadden het over ‘ons moeder’, veel grote gezinnen, vaak klein behuisd, dit gezin woonde in een huis met een oppervlak van 48 meter, een zogenaamde noodwoning. Ik woonde ook in zo’n woning, tot ik in 1958 naar Utrecht verhuisde
Mooi José! En dat er dan nog mensen zijn die spreken over ‘die goeie ouwe tijd’…
Toen was geluk nog niet zo gewoon. Heel goed beschreven, José.