Zijn broek die was van zijde, zijn mantel van fluweel
zijn ring die had robijnen, het kant zat om zijn keel
zijn riembeslag met koper, een veertje in zijn hoed
zijn woning die was proper want zijn vrouw verdiende goed.
Hij voelde zich bezwaard als er weinig was te doen
want zelfs nog de waard lachte enkel voor zijn poen
men vond hem maar verwaand en een luilak bovendien
Hij was er voor een maand niet meer in de stad te zien.
Zijn spieren werden sterk, hij had een goed idee
zijn handen deden werk, hij hielp mensen mee
zijn ogen gingen stralen en hij hielp ook de meid
zijn vrouw die mocht betalen want hij was zijn schaamte kwijt.


Goud deze. De titel briljant.
Leuk gedicht over een man die er weer bovenop komt.
Eens met, Levja 🙂
In een verhaal maak ik me vaak meer man dan ik ben. VmetdeVorK bedankt voor je inzet!
Joost van Velthoven
Prachtig spel van woorden met een subliem slot.