Het is stil herfstweer als ik mijn geboortedorp binnenrijd. Het zonlicht schijnt door de bomen en laat de bladeren schitteren in oranje, gele en rode tinten. Het dorp heeft één lange straat, die in het midden wordt gescheiden door een kruispunt. Aan de westzijde loopt een lange vaart. De oostzijde bestaat uit weilanden en bossen.
Ik zet mijn auto aan de kant en ga te voet verder. De koeien staan nog buiten in dit jaargetijde. Ze staren dromerig in de verte. Ik loop langs een oude schilderswerkplaats; de verf is afgebladderd.
Dan nader ik zeven kleine witte huizen, de enige aan de oostzijde. In het middelste huis woonde hij: de buurjongen en klasgenoot die slechts twaalf jaar oud mocht worden.


Sfeervol beschreven, Nel, maar ‘binnenrijdt’ met dt? Nel!
Oh, snel verbeteren. Er stond eerst iets anders: als ze binnenrijdt
Dank je, Ewald.
Het leest als een herfstig vervolgverhaal. Mooi. Komt er nog een deel twee?
Dank je wel, Mien. Achter dit verhaal zit een hele geschiedenis, maar ik denk dat ik het hierbij voorlopig even laat.
Mooie herrfst beschreven, sfeervol met een prachtige metafoor van het jongetje, dat slechts 12 jaar mocht worden. Herfst de komst van de terneergang toch?
Mooi en sfeervol!
Dank je wel, Marie.
Ja het is vast geen toeval dat deze herinnering juist in de herfst naar boven kwam.
Dank je wel, Marlies.
mooi stuk Nel, ook de herinnering aan de jongen
Dank je wel, Josë.