Het hout voelt klam onder zijn poten, de dag heeft de vochtigheid nog niet opgezogen. Het wiebelt bovendien en beneden wemelt het. Van mieren, regenwormen en kinderen.
Er zijn dode poezenbaby’s geboren. De oma vertelt van god, zij wel, de moeder weet het niet.
‘Bij hem kan je schuilen.’
Maar oma’s verhaaltje heeft geen plaatje. Niet eens zo een die je kan kleuren.
‘Is god een grot met blauwe ogen?’
‘Hij komt je halen,’ zegt ze, ‘als je doodgaat.’
Nu wachten kinderen op het weghalen van stille poesjes. Ze willen kleuren. Maar hij komt niet, het hout is droog, niets wiebelt meer, de tak is leeg.
Oma wist het niet, er is geen beeld.
Niet eens zo een van steen.

Luus, dit verhaal fascineert me door de bijzondere sfeer die het oproept en de associaties.
De betekenis dringt niet geheel tot me door, ook niet bij herlezen. Ik vermoed meer lagen.
<3
Ik heb hetzelfde. Helemaal begrijpen doe ik het niet. Maar de mooie, mysterieuze sfeer van dit dystopisch ? stukje maakt dat voor mij helemaal goed. <3
Pakkend en mooi verwoord. Hartje dus. Piepklein puntje: God schrijf je met een hoofdletter. Of is dit een bewuste keuze?
@Nel, meerdere lagen ja. Je kan alle personages en dieren symbolisch zien. Of niet. Het vermoeden is al mooi. Veel dank voor je hartje!
@Hay, een waardevol compliment… Ik wil graag dat die sfeer bewaard blijft en sla dan ook maar niet aan het analyseren (daar heb ik een handje van). Er zijn, naar geloofsovertuiging of het ontbreken daarvan, meerdere interpretaties mogelijk en dat was ook mijn bedoeling. Bedankt voor je hartje en je dystopische herkenning. 😉
@Ewald, het is een bewuste keuze. Dank voor je compliment en hartje!
@Luus: ‘Het hout voelt klam onder zijn poten.’ Gaat het over een sprekende poezenfamilie waar oma kat vertelt? Of gaat het over een jongen met poten? (En hoeven?) (Over duivelskinderen die horen vertellen over een God? Cool. 🙂 )
Hilarisch, alles kan, hoewel een jongen met poten/hoeven, hier althans (ik schreef al eens over aangebrande duivelse bokkenpootjes), niet tot het repertoire behoort. Ik ben blij dat mijn uitzicht jouw rijke fantasie wist te prikkelen. 🙂
De dood van Pierlala is hier overduidelijk aanwezig. Als ik zo vrij mag zijn voor interpretatie. Heb er ooit een verhaaltje over geschreven. Een dialoogje. Over Pier en Lala. Pier de worm van het kerkhof en Lala het vlammetje uit de oven.
Fascinerend stukje met mooie dubbele titel. Zacht houten hartje van mij. Als troost voor oma.
@Mien, Ik krijg helemaal zin om Pier en Lala te tekenen! Mag ik het verhaaltje lezen? Dank voor je compliment en je zacht houten hartje. Ook namens oma.
Zuster Luus,
Is het een idee om naast “column” ook “poëzie” aan te vinken? Het is een heel mooi stuk.
Dank je Vork, ik twijfelde en liet het daarom maar bij ‘column’. Ik ben niet zo goed in het onderverdelen in vakjes. Ook weet ik soms niet echt waar proza eindigt en poëzie begint. Terwijl ik schreef was ik voor mijn gevoel geen gedicht aan het schrijven, maar als het zo over komt ben ik daar blij mee. En ook met je compliment. 🙂
ps: Vork, ik herinner me dat je een eerder stukje van mij, ‘de balustrade’, ook een gedicht noemde. Dankzij jou heb ik daar toen later een, voor mijn gevoel dan, gedicht van gemaakt. 😉
@luus: Jammer dat er geen categorie proëzie is.
Het verhaal van Pier en Lala
Vroeg of laat worden we er allemaal mee geconfronteerd. Het sterven, het overlijden, de dood. De dood van een ander, de dood van onszelf. Confrontatie klinkt wellicht wat zwaar. Alsof je er zo maar tegenaan loopt, tegen die dood. Maar niets is minder waar. Tenzij je Pier of Lala heet. Die weten inmiddels beter. Lees hier hun verhaal.
Op een blauwe maandag leerden zij elkaar kennen. Pier en Lala. Op een kleine begraafplaats grenzend aan een crematorium. Het was een mooie dag, met de zon hoog aan de hemel, hangend in een strakblauwe lucht. Pier, een klein mager mannetje met een bruin glibberig vel, stak zijn hoofd een paar millimeter boven het maaiveld uit. Het maaiveld van zijn territorium, de begraafplaats. Gewoon om heel eventjes wat lucht te happen. Pier was het kruipen en woelen door de grond een beetje zat en zocht wat vertier.
Juist op dat moment kwam Lala aanwaaien. Een zwoele pittige tante gekleed in een sierlijk oranje gewaad dat luchtig rond haar slanke benen danste. Ze had het heet gekregen in het crematorium en was op zoek naar wat frisse lucht. Door de hitte kwam er nog wat rook van haar af. Ze streek neer vlak naast Pier die zojuist wat aarde ophoestte.
“Zo, zo, vervelend hoestje, verkouden misschien?”, opende Lala het gesprek.
“Ehhh … nee … nee hoor, gewoon wat brokken in mijn keel!” antwoordde Pier.
“Toch niet van verdriet, mag ik hopen?”
“Ehhh … nee … nee hoor, gewoon de aarde wat te snel doorgeslikt … en de rest!”
Prompt hoestte Pier een klein stukje mens op.
“Hee, hee, ho, maar wacht even, dat herken ik”, riep Lala. “Dat, dat is een stukje mens, hoe kom je daaraan?”
“Ehhh … nou … ehhh … gewoon, dat lag daar, daar een stukje verder, onder de grond, ik heb het zojuist opgepeuzeld. Best lekker, maar wel taai!”
“Nou, dat is ook toevallig. Jij eet ze op en ik brand ze af. Stukjes mens. Grappig hè, en toevallig toch? Doe jij dat beroepsmatig of gewoon voor de fun, of gewoon omdat je het lekker vindt?”
Dat waren iets te veel vragen voor Pier. Hij kende het vreemde wezen dat naast hem geland was nog maar net en dan al zo’n brute vragen stellen. Eerst maar even voorstellen.
“Mag ik eerst even weten wie jij bent en hoe jij heet? Ik heet Pier!”
“En ik Lala!”, antwoordde Lala onmiddellijk. “Aangenaam, een hand geef ik je niet, want dan smelt je.”
“Nou, zo snel smelt ik niet hoor!” antwoordde Pier. “Ik kan wel wat hebben, anders houd ik het niet vol onder de grond. En om op je vraag terug te komen, ik eet stukjes mens omdat het goed is voor mijn spijsvertering. Bovendien groei ik ervan. Wel zo handig! De een z’n dood is de ander z’n brood, ha, ha, nietwaar!”
Hier kon Lala wel om lachen. “Voor mij hebben die mensjes een hele andere betekenis. Ze houden mij warm. Ja, ze geven warmte af. Zelfs vervelende mensen doen dat. Jong en oud, maakt niet uit, ik ga er alleen maar van stralen! Samen met mijn vrienden, ik doe dat niet alleen hoor. Mensen afbranden.”
“O, ik eet ze ook niet alleen op hoor, ik ben met een flink leger onder de grond. We doen er samen maanden over, afhankelijk van het postuur van de mens die ter aarde besteld is. De eerste dagen hebben we voortdurend splinters in de mond. Maar ja, je moet er wat voor over hebben, voor je kostje, nietwaar?”
“Ja, maar Pier, dat is wel lang hoor. Wij zijn er binnen een paar minuten klaar mee hoor. Wij laven ons kortstondig. En dan hebben we het waanzinnig warm, ongekend!”
“Ja, ja, Lala, ik ken dat, maar wat jullie doen is niet bepaald milieuvriendelijk, als ik moet geloven wat ze zeggen dan stoken jullie de boel flink op en geeft dat behoorlijk wat luchtvervuiling, toch?”
“Kom op zeg, Pier, je bent toch zeker niet zo’n fanatieke groene milieuridder, zeg? Of zo’n mindnesfulle bodemonderzoeker? Wel, of niet?”
“Nee, hoor Lala, ik recycle en composteer slechts stukjes mens, niet meer en niet minder, ieder zijn heug en meug, toch?!”
“Prima plan Pier, laat mij dan maar vlammen en roken, ashes to ashes and dust to dust! Leuk je even gesproken te hebben, het ga je goed.
“Insgelijks Lala! Doeg!”
En zo eindigt een bijzondere ontmoeting van Pier en Lala op een zonnige doordeweekse dag ergens op een begraafplaats naast het crematorium. Een verhaal over eten en gegeten worden. Maar over de doden niets dan goeds.
Mien! Met recht kostelijk! Die stukjes mens, hoe lief kan je het brengen… Echt een prachtverhaaltje om alle luguberheid te vergeten. Het zou er bijna gezellig van worden. 🙂
Dankjewel luus.