‘Gisteravond belde een man die zei dat ik me goed achter de oren moest krabben. Wie weet waar ik het over heb?’
Stilte.
Julius keek de klas rond.
‘Niemand? dán moet ik iemand aanwijzen! Julia, kom eens naar voren? Kom hier maar naast me staan’ gebaarde hij. ‘Niet zo verlegen! dat is toch helemaal niet nodig?’ Julia schudde haar hoofd. ‘Julia!’
Julius riep het als een quizmaster door de klas. ‘Wie was die man?’
Julia dacht even na en zei: ‘Geen idee meneer, was hij groot?’
Julius veerde op. ‘Nee natuurlijk niet! Hoe kom je daarbij?’
Julia haalde haar schouders op. ‘Het was maar een vraag meneer, waarom bent u zo zenuwachtig?’
‘Ik dacht dat je dóód zei’ stamelde hij.

de oplossing van de vraag blijft een beetje hangen; hartje!