Daar staat hij voor de bomvolle zaal. De zenuwen gieren door zijn keel, alle ogen zijn op hem gericht.
Hij slikt, ademt diep in en uit, maar declameert dan luid en duidelijk:
‘Zullen we naar zee gaan,
die hoofse minnaar
die komt en gaat
en
geduldig wacht?
Zullen we een zandkasteel bouwen
op de lijn
die we zelf trekken
tussen
droom en werkelijkheid?
Zullen we de golven breken
in overmoed en zilte trots
ons niet bewust
van de pijn in
elke golfslag?
Zullen we krijsen als de meeuwen
en onverschrokken zweven
boven op de westenwind
en turen naar een toekomst
voorbij de horizon?
Zullen we zwemmen
of toch maar zeilen?
Als zilveren vissen
bevrijd
van de wereld?’
Stilte. Gekuch. Applaus!


Bij een muziekoptreden zou het vreselijk zijn als je eerst gekuch hoort en dan een flauw applaus.
leuke combinatie, het gedicht en de context van het optreden als een geheel. Dat herhalen van ´zullen we´ geeft er ook kracht aan!