Diep in de jungle kondigt de schemering zich aan. Lijzig krakend strekt een touwbrug, in nevel gehuld, zich voor hem uit. Starend naar het stervende licht overweegt hij zijn koers. De afgrond of een wankele toekomst, onzichtbaar en gevaarlijk.
Minuscule neveldruppels fluisteren: “Was ik maar, had ik maar…” Hoofdschuddend verjaagt hij ze. Zekerheid lonkt in de bodemloze diepte. Is dat dan de oplossing? Abrupte duisternis? Hier kan ik niet blijven, toch? Gevangen in het verleden, bevroren in een bewegingsloos heden. Als persoonlijkheid dunner blijkt dan een eierschaal, je van lichaam en geest bent vervreemd. Zelfs vrienden je niet meer kennen, hoe overleef je dan die reis? Wat als ik het toeval laat beslissen?
Met zijn ogen dicht stapt hij vooruit.


Prachtig! Een poëtische Indiana Jones…
Tarzan kan het niet zijn. Die was luidruchtiger en had geen touwbrug nodig, maar enkel een liaan. 😉
Dit stukje zou trouwens, als je bij wijze van uitzondering eens aan het weekthema meedeed, een bijzonder fraaie hersenschim geweest zijn. 😉
@Hay dank je, maar al mijn stukjes zijn hersenschimmen 😛