Pure paniek bonst als een hamer in haar borst. Ze draait ongecontroleerd van links naar rechts met haar hoofd, speurend naar een groengeruit jasje.
‘Waar issie?’
Haar blik, scherp als een arend, op de twee deuren gericht.
‘God, laat hem alstublieft niet weg zijn.’
Ze klampt mensen aan, woest, gejaagd in haar woorden. ‘Heeft u dit jongentje gezien?’
In een nanoseconde weet ze de gezichten te lezen en is beleefdheid een overbodig talent.
Niet wetende waar hij heen is gegaan, blijft ze in het midden van de winkel bange rondjes dribbelen. Haar oren gespitst, draaiend naar kindergeluiden, filterend, om die ene stem erboven uit te horen.
Ze zou haar ziel geven om hem te horen huilen. ‘Waar ben je?’
‘Joonnaathaan…!!!’


Het is aardig bedacht, vooral omdat je niet te snel de clou geeft, maar waar zit nu eigenlijk de dystopie in?
Hai Haye,
mijn eigen dystopie. Je kind kwijt zijn in een drukke winkel.
Tja….dacht even een andere invalshoek te gebruiken.
Slaat niet aan he?
🙂
Ik vind je stukje helemaal niet slecht. Wees gerust.
Het punt is enkel dat heel veel inzenders het begrip dystopie erg ruim (ik vind té ruim) opgevat hebben. Een dystopie is (let wel, in mijn bewoordingen) een sombere, pessimistische visie op wat onze maatschappij in de toekomst wellicht te wachten staat. Klassieke voorbeelden zijn ‘1984’ en ‘Animal Farm’van George Orwell.
De vraag is dus niet of het aanslaat, maar of je stukje met recht een dystopie genoemd kan worden.
Klopt helemaal. Zo staat het ook omschreven. Ik ben echter blij met je reactie want dat houdt me scherp. Dus dank.