Drijfnat kom ik thuis. ‘Wat wil je nu van me horen?’ vraagt ze.
Ze kijkt me wel weer aan en ik kijk overal weer anders tegen aan.
‘Doe die natte jas uit. Anders vat je nog kou, klootzak.’
‘Klootzak? Is dat mijn zondagse naam hoewel het nu zaterdagmiddag is?’
‘Ik heb je wel twintig keer gebeld.’
‘Er was daar geen bereik.’
‘Daar…?’
‘Ja, de duinen, bossen. Om verder te komen moest ik daar vandaag eindigen.’
‘Het is maar hoe je het bekijkt.’
‘Ver weg van mijn dagelijkse ‘harde schijf’ zit een oud geheugen waarin alleen maar een ouderwetse floppy past. Het gaat allemaal niet zo snel en dat is nu juist wat ik wil.
Zal ik het met je delen?’


@Han: nu vraag ik me af wie er de hertenogen heeft, hij of zij?
@Nele. Zij. Dat blijkt uit deel 1.
@Han: excuseer. Was het vergeten. Komt door de laatste zin van dit stukje.
Maar de derde laatste zin is wel de mooiste.
@Nele. Dank je wel!