‘Zuiverder bestaat niet, waarde heer.’
Hij keek nog eens goed in de vitrine. Daar hoorde hij het stemmetje in zijn hoofd weer. Niet doen! Dat stemmetje had hem al eerder behoed voor dure narigheid. Zuiver op de graad waren ze hier niet in het stokoude centrum. Toeristen genoeg om te belazeren.
‘Mag ik het wegen?’
‘Wegen? Waarom? Deze goudstaven worden al eeuwen in onze familie gesmolten, u kunt me vertrouwen. Familie-eer garandeert onze kwaliteit.’
‘Mag ik het even vasthouden.’
‘Natuurlijk.’
Hij keek intensief naar de staaf. Die wolvenstempel intrigeerde hem mateloos. Hij woog de staaf met zijn hand. Waarom eigenlijk? Zuiver goud was zo niet te onderscheiden van de vervalste allooi vol wolfraam. Niet doen!
‘Heeft u ook gouden dinars?’


Wat een prachtig stukje.