‘Nieuw?’
‘Ja, een week oud.’
‘Zal wel wat lusten.’
‘Het is een zescilinder, en dat zijn nu eenmaal benzineslurpers.’
‘Kijk, de Noord/Zuidlijn. Toch wel mooi geworden.’
‘Vind je? Met z’n allen dicht op elkaar gepakt in de bloedhitte – is het te warm? Dan zet ik ‘m gewoon kouder.
Mijn moeder kan trouwens door de nieuwe dienstregeling niet meer met de bus naar mijn vader in het verzorgingstehuis; ze moet dan ’s avonds laat met die metro. Veel te gevaarlijk, vooral op de stations.’
‘Dan breng jij haar toch.’
‘Heb ik aan gedacht, maar dat wordt algauw een gewoonte die mij in mijn vrijheid beperkt.’
‘Ga jij nooit naar je vader?’
‘Het heeft weinig zin, want hij herkent mij nauwelijks nog.’


Han: pijnlijk… Dus jij bent een van die blijde rijders.
@Cora. Nee, ik ben maar een kleine rijder. Het liefst loop ik en steeds vaker neem ik het openbaar vervoer. Het is trouwens fictie. Dat zet ik er nog even bij.
@Han, sorry, dit was een misverstand. Pijnlijk is het feit dat de zoon zijn bolide niet gebruikt om bij papa op bezoek te gaan. Laat je in de fictie gerust helemaal gaan. Hartje voor jou.
@Cora. Het is dus puur egoïsme. Dank je.
de hoofdpersoon koestert zijn vrijheid meer dan zijn vader