Nog beduusd van de val nam hij de uitgestoken hand aan. Hij kon nog net de glinsterende, haast etherische vingers onderscheiden die met een witte flikkering naar de zijne reikten. Vingers zo dun en licht als glas, als ijs. Pas toen zijn eigen hand omhoog ging om contact te maken, zag hij dezelfde toestand aan zijn eigen ledemaat. De handen raakten elkaar, met een tik van statische elektriciteit klonken ze muurvast aan elkaar. Hij voelde hoe hij omhoog werd getrokken, maar ook, als het ware, ergens uit werd gehaald. Zonder geluid, zonder een lichaam, trok de doorschijnende hand hem verder omhoog. Hij stond niet, hij zweefde.
Terwijl hij naar beneden keek, ver de diepte in, zag hij neer op zichzelf.

Lijmstok,
Iemand wordt gehaald. Het heeft, zoals je het hebt geschreven, iets moois.
Betoverend. Vooral de tweede zin vind ik mooi.
Ik lees snel -dus meerdere keren opnieuw gelezen!- omdat ik zo benieuwd ben naar het einde.