‘Het spel gaat op de wagen.’
‘Wat bedoel je daarmee eigenlijk?’
‘Ja, dat weet ik ook niet, ik heb dat Maarten Ducrot wel eens horen zeggen.’
‘Maar die gaat toch over fietsen?’
‘Ja, wielrennen om preciezer te zijn. Zoals de Tour nu.’
‘Moet ie dan niet zeggen dat het spel op de fiets gaat beginnen, zoiets?’
‘Moet je mij niet vragen, ik zie wel eens dat er een racefiets op de wagen gaat, geen spel.’
De mannen halen de schouders op, waar heeft zo’n Ducrot het over? Maar vooral, wat maakt het uit.
‘Kijk, daar gaat een van de Schleckjes, Contador breekt en Evans hangt aan een draadje’
‘Verrek, zegt ie verslaggever het weer, het spel gaat op de wagen.’


En de wagen is weer afgekoppeld.’t Waren spannende weken.
Een hoop van die sport-metaforen zijn onbegrijpelijk en doordrongen van klok en klepel neologismen.
“Leuk taaltje, dat WIELRENS”, zei Kluun laatst.
“Wielrennen” zelf is ook een raar woord. Ik zie ze al rennen met een wiel op hun schouder.
Tijdens een badmintonwedstrijd zeggen ze ook “Mooie bal!”