Het had iets mysterieus, het eikenhouten kabinet.
Meestal waren de deurtjes dicht, maar als ik vroeg ‘oma, mag het kastje open?’ dan mocht dat.
Oude spulletjes zoals een koperen hagedis en een antiek vaasje trokken mijn aandacht. Maar het meest nog het porseleinen herderinnetje. Ze was mooi en ze lachte. ‘Kom maar, kom maar met me mee,’ zei ze.
‘Dat mag ik niet.’
‘Niemand komt het te weten, ik zal niets zeggen, kom…’
‘Tegen wie praat je?’ vroeg oma.
‘Tegen het herderinnetje, ze vraagt me of ik meekom.’
‘Doe dat nooit, jochie!’
‘Maar ze is zo mooi, oma.’
Toch liet ik mij later door schoonheid verleiden. Mijn ‘herderinnetje’ is uit het kabinet gekomen en lacht nu naar een ander slachtoffer.


Griezelig. Ik vraag me af in welke antieke hoedanigheid het ‘ik-personage’ daar nu in dat kabinet staat, hangt of ligt om toe te zien hoe iemand door dat herderinnetje wordt betoverd.
@Han Maas: kan het zijn dat het ik-personage uit jouw stukje de taal der standbeelden sprak?
@NeleDeDeyne. Alles is mogelijk om erbij te denken. Dat was juist mijn bedoeling.
Groet,
Han
de verboden vrucht, een betovering!
Dank je, Jose!