Schrijver zit aan de toog van het Dorpscafé. Zijn ogen kijken door de kastelein heen. Schrijf je nog?, vraagt Klusjesman, wiens aanwezigheid hem nu pas opvalt.
“ … mijn vrouw leest het manuscript. Over Liefde en de Dood … durf niet naar huis. Vrees dat het te confronterend is. Dat begrijp ik … – doe hier nog wat te drinken, voor mij ook een Orval – … moet ik mijzelf dan censureren?â€
“…censu-wat? Niet van die moeilijke woorden gebruiken, Briekje. Proost! Ben je weer terug bij het vrouwtje? Stop dan toch ook met dat buiten de deur neuken.â€
“ … proost! Ik was verliefd, chef. Ken je dat? Ik moest erover schrijven … over gewetensnood … dat doet pijn. Mijn ziel stond in brand.â€
“Schrijven doet geen pijn, jongen! Papier brandt.â€

Sterk stuk, ik zie het helemaal voor me. Je laat genoeg open om de lezer aan het fantaseren te brengen, maar vertelt genoeg om hem/haar niet te veel in het ijle te laten.