Ze reed over de weg. Ze reed hard. Misschien wel te hard. Het regende en het was donker. Muziek kwam uit de speakers, zweepte haar op om nog harder te rijden. En nog wilder. De weg slingerde door de bossen. Dit stuurde zó fijn, de auto danste met haar, haar voet was gewichtloos op het pedaal. De lekkerste haarspeldbocht kwam snel dichterbij. Zou je daar ook met meer dan 100 nog veilig door heen komen? Ze dacht aan het snerpend metaal, flitsende beelden, scherpe pijn, de akelige stilte erna. De smaak van bloed in haar mond. Gevoelloze benen, een lichtstraal waarin bomen scheef groeiden. Een jong leven, geknakt, wordt dit het einde? Ze spande haar been en stuurde. Later, schat.


Ik vind het mooi hoe je als lezer je verwachtingen moet bijstellen bij het lezen van dit stukje. Van een onverantwoordelijk, flierefluiterig iemand naar een vrouw die naar haar geliefde verlangt.
Zou je daar ook met meer dan 100 nog veilig door heen komen?
–> volgens mij moet doorheen aan elkaar geschreven worden (en dan moet je dus elders nog een woord toevoegen)