De visser op zijn krukje langs de kant van de rivier zat al geruime tijd te staren naar zijn dobber. De hengel, die eerst een hoek van vijfenveertig graden met zijn lichaam had gemaakt, hing treurend in de richting van het water. De eerder strak gespannen vislijn vormde inmiddels een bochtige, slappe streep die nauwelijks te onderscheiden was tegen de achtergrond van golven met schuimkoppen. Het onstuimige weer had geen vat op de man. Hij was zo in gedachten verzonken dat hij het gevaarte niet zag aankomen.
Met een ferme ruk werd hij van zijn kruk getrokken. Een boei dreef met snelheid langs, trok zijn vislijn strak. Het zou een zware dobber worden om het hoofd boven water te houden.


Recente reacties