Hij sloot zijn ogen en stond in een grote witte kamer. Door de metershoge ramen viel zacht zonlicht naar binnen en trok tintelende strepen over het parket. Het rook er sterk naar boenwas. De kamer was leeg, op een enkele stoel na. In de stoel zat iemand, met zijn rug naar hem toe. Hij kon niet zien wie het was, maar iets in hem zei: ik ken die man. Hij durfde niet te roepen, uit angst voor de echo’s langs de kale, gladde muren. Alles was wit, op het parket na. En de stoel. Voorzichtig kwam hij dichterbij, nog enkele stappen. Bij elke stap groeide het besef van herkenning. De man in de stoel draaide zich om: daar stond hijzelf.


Stukje sterk. Titel wat rommelig.
Jezelf tegenkomen, titel iets te uitleggerig vind ik