Ze zaten er de hele zomer. De tantes van onze straat, op hun klapstoelen op de stoep. In onze Haagse wijk hadden we geen achtertuinen, maar iedereen zette bij mooi weer gewoon zijn voordeur open. Wij kinderen werden rustig naar buiten gestuurd. De tantes hielden ons wel in de gaten.
Meestal liep ik te voetballen. Zo nu en dan riep Tante Dulsey naar mij: ‘Kijk ùit bij die wagens!’ In haar eigen typische Haags-Surinaamse accent. Tante Joanna riep dan ook meteen iets, alsof ze niet achter wilde blijven. Zij sprak met een zachte g, maar ook met de Haagse tongval.
Volgens mijn vader waren ze allebei ‘import’. Alle twee echte Hagenezen, zonder dat één van hen er een jeugdherinnering had.


Naar deze zin uit Andere Maan van Acda & De Munnik: ‘Alle drie echte Amsterdammers zonder dat een van ons er een jeugdherinnering had’.
mooi sfeerbeeld, alleen vind ik hier het gebruik van het woord jeugdherinnering een beetje geforceerd overkomen.
ik vind het niet zo storend, dankzij de toelichting in de reactie van Inge dd 2108