Ze zitten bij elkaar. De welzijnswerkers. Boos, gefrustreerd, vol haat. Ik kom binnen. Niemand zegt een woord, niemand kijkt me aan. Ze doen of ze me niet kennen, ik ben lucht voor hen. Ze willen niet weten dat ik ook een mens ben, want ik ben slechts de verrader van hun idealen. Ik denk althans dat ze dat denken, want er is slechts ijzige stilte. Ik zou die wel met een schreeuw willen doorbreken, maar mijn keel zit dicht. Ik heb een gedicht in mijn hoofd van Jana Beranova, korter kan bijna niet: als niemand luistert naar niemand vallen er doden in plaats van woorden. Niet dat ik iemand verwens, maar het onmenselijke zwijgen is een gesel. Welzijnswerk heette dat.


Misschien zit hier een dystopisch toekomstbeeld in verborgen, maar ik kan het niet zo meteen ontdekken. Ik mis een aanwijzing waarom de ik in dit stukje de idealen van die welzijnswerkers verraden zou hebben.