Wil wilde wel wat water, waarmee waarzeggers wisten wat werkelijk was. ’s Nachts snoepte zij stilletjes ziltige slokjes. Daarom deden de dames de deur daarbij dicht. Opdat opengemaakte obsessies onlogisch opereerden.
Zwijg, zwierende zwalkers, zwaai zware zotten, zo zalig zacht! Kranig kletsten kleine kinderen kromme kappertjes kapot. Waarom Wil willens waarachtig wonderen waarnam, wist Wil wonderwel wel. Andere aannames apart aangenomen, bazin bepaalt, beslist bovenal. En er ergerde ergens een egel een eland, maar meer malen maalden molens mosterdzaad mals.
Die diepe dromen, daar donkere donderende denkbeelden, waren wat Wil wakker waarnam. Gebruik geen geschriften, geef grazers geen gras, laat liefde latent laveren langs levende leden.
Daarna dromden de dames door de deur, dwars door de dunne dromerige dood.

Waarachtig, welk wonderschoon weerlichtend werk.
Mooie woorden, mooie regels en heel mooi: “de dunne dromerige dood”.
Waar blijft toch die knop ‘Meer dan de moeite waard’..?