Ik bol mijn rug en druk haar tegen mijn winterjas. Want de lente mag dan al begonnen zijn, zoveel winter heb ik nog nooit gevoeld. De gevel buigt zich over de toppen van mijn kunnen. Ik kom hier vaak. Ze kent mij goed. Mijn muur is wit. Ze bezit geen ramen. Ze is blind. Ik duik nog wat verder mijn jas in, maar zorg wel dat ik boven water blijf. Met mijn vingers volg ik de voegen. Van koers veranderd raak ik al gauw verstrikt. Een maas in netten. Ik ben verdwaald. De zon waait in mijn ogen en ik leg een oneindige knoop in mijn shawl. De lente net een dag oud. De winter al in volle gang.

Recente reacties