‘Wat doe jij nou?’ klinkt het verbaasd.
‘Dat zie je toch,’ antwoord ik al verder klimmend met een goed stuk touw in mijn hand.
Dat een appel tegen me spreekt, is niet nieuw, hooguit lang geleden. Dat geldt ook voor het in deze boom klimmen. Als kleine jongen zat ik hier vaak. De appelboom was veiliger en had een dichter bladerdak dan de perenboom ernaast. Ook toen voerde ik hele gesprekken met de appels die er altijd ruimschoots hingen. Voor mij waren het heilige appels had ik besloten. Een soort Godappels waar je wel mee praat maar die je niet opeet.
Drie pogingen en evenzoveel valpartijen later besluit ik, na drie keer uitgelachen te zijn, dat er ook appelmonsters zijn.


Arjan. Een verhaal dat niet echt uit de verf komt hoewel het veelbelovend begint. Het wordt flauw zoals een flauwe appel, helaas. Het weekwoord gekunsteld gebruikt. Jammer.
‘Wat doe jij nou?’, klinkt het verbaasd. – ‘Wat doe jij nou?’ klinkt het verbaasd.
‘Dat zie je toch’, antwoord ik – ‘Dat zie je toch,’ antwoord ik
Ha dank voor je reactie Han, zeker voor je correctie. En blijkbaar is het me niet gelukt om duidelijk te maken wat ik zeggen wilde.
Kanziloos die appels. Maar ja, bij de gebakken peren neerzitten is ook al zo iets.