‘Een lekker bordje watergruwel. Ken je dat?’
‘Eh… nee, mevrouw.’
‘Zeg maar Rosina, hoor. Ik ben nu je schoonmoeder.’
Was het gruwelbordje maar alvast zo opgedroogd als de krent van Rosina. Haar dochter doet de naam van het hoofdgerecht tenminste eer aan: hete bliksem.
Dreggend vis ik krenten en rozijnen op. Met mijn neus dichtgeknepen bagger ik de sloot verder uit.
‘Lekker hè?’
‘Ja, mevrouw.’
‘Rosina! Ik haal nog een bordje voor je, dan gaan wij afwassen en koffiezetten.’
Wat de natuur schenkt, moet je ook weer teruggeven. In de hoek staat een plant…
Dat gruwelijke vel in mijn koffie, waar moet ik het kwijt?
‘Hè bah,’ zegt Rosina na de koffie, ‘waar heb jij nu weer in gezeten, poes?’


Een onsmakelijke kennismaking met schoonmoeder…
De laatste zin snap ik niet helemaal, zat de viervoeter in de plant?
Alice, ‘Dat gruwelijke vel in mijn koffie, waar moet ik het kwijt?’