‘Moet je kijken, de gaten van de keilbouten zie je nog in de bomen. Dat ze niet dood zijn gegaan.’
‘Ze hebben pa overleefd. Jij bent een keer van die schommel gevallen. Weet je nog?’
‘Gas en licht zijn afgesloten. Wil je nog een laatste keer door het huis lopen?’
‘Nee, laten we de deur maar achter ons dichttrekken – wacht even, wat doen we met Teun?’
‘Wil jij hem?’
‘Nee, jij?’
‘Wat moet ik met een oude tuinkabouter? Ik heb niet eens een tuin. Laat ‘m maar staan, voor de volgende bewoner, misschien.’
‘Man, je laat me schrikken! Wat doe jij hier midden in de nacht?’
‘Straks zetten ze Teun bij het grofvuil – in jouw tuin of op mijn balkon?’


Teun vind ik een leuke naam voor een tuinkabouter.
Levja. Ja, Teun moet niet bij het grofvuil.
Grappig dat ik meteen begreep dat Teun de tuinkabouter moest zijn. Ja, Teun kan niet goed alleen zijn, natuurlijk.
Lousjekoesje. Geen afscheid van het verleden – Teun – kunnen nemen uiteindelijk.
Inderdaad, mooi.