Ter nagedachtenis aan zijn vader probeert hij hem te verdedigen noch te beschuldigen. ‘Ik zeg niet “het was toch mijn vader”. Nee, hij was mijn vader. En daarmee heb ik het moeten doen. Daarmee heeft hij het moeten doen: met alle liefde die hij in zich had.
Een verkeerde tijd, een verkeerde beweging. Uit armoede komen armetierige ideeën voort die als een gevaarlijk gezwel gaan etteren. Die beweging met een afgekorte naam doet iedereen huiveren.
Ideeën die niet de mijne zijn…’
‘Mooi gesproken. ’t Zal niet meevallen.’
‘Nee, zeker niet.’
‘Hoe fout was ie eigenlijk?’
‘Fout?’
‘Ja. Fout.’
‘Wat is fout en wat is goed? Mijn vader heeft niemand wat gedaan.’
‘Heeft ie jou alles verteld?’
‘Is jou alles verteld?’


Sterk stuk, Han. Tussen goed en fout loopt geen strakke scheidslijn, maar bevindt zich een groot, grijs schemergebied. Oordelen en veroordelen gebeurt maar al te makkelijk, zeker achteraf.
Ewald. Dank je. Dat is precies wat ik hiermee bedoel.
Heel knap gedaan, Han.
Levja, dank je wel.
VOOR DE GOEDE ORDE: dit is een fictief stukje. Ik schrijf regelmatig over mijn vader die als dwangarbeider in Duitsland moest werken. De vader in dit stukje is niet mijn vader, en de ik-persoon ben ik niet. Aldus is er geen enkele associatie met de werkelijkheid.
Het feit dat je je vader liefdevol herdenkt is voldoende. Ik vind het mooi. Grt.
Luc. Dank je wel, maar lees vooral het commentaar vóór jouw reactie, voor de goede orde. Het is FICTIE. Gelukkig gaat het niet over mijn vader.
Ja, dat was me duidelijk Han, maar buiten dat, toch mooi.
Luc. Gelukkig!