Ik sluit mijn ogen. Ik kan niet meer. Alle woorden in mijn hoofd smaken naar azijn. Ze krioelen door elkaar, klimmend op een muur vol scherven. In kleine stukjes breken ze uiteen. Opengereten. Naakt. Bibberend van de kou. Ik probeer ze te lijmen, maar niets lijkt nog te passen. Een puzzel zonder eind. De wanhoop siddert als een slang langs mijn benen omhoog en trekt zich strak om mijn lijf. Mijn adem stokt. En dan…
…alleen nog de wind. Ik voel haar tedere handen strijken over mijn huid. Ze vertelt me van een nieuw bestaan en fluistert zachtjes in mijn oor:
‘Ik wil niet dat je gaat.’
Maar het is al te laat…
Ik open mijn ogen en stap vooruit.

Je legt voor mij een mooie sfeerbeschrijving neer al vind ik de personificatie van de woorden lastig. Ik kan het moeilijk rijmen met het laatste stukje….