Wij hebben een trappenhuis, anderen wentelen zich naar boven. Aan de binnenkant van de wenteltrap mag ik niet lopen – waarom is die er dan?
Tante Gwendolyn woont in een statig huis. De plafonds zijn hoog. Vreemd, om in de tuin te komen moet je met een trap naar beneden.
‘Je mag er niet om vragen,’ zegt mijn moeder. Dat doe ik zeker niet, want Gwendolyns wentelteefjes zijn altijd verbrand. Het is zo’n tante die aardig noch onaardig is – mensen passen zich aan hun huis aan.
‘Wil hij er warme melk bij?’ vraagt Gwendolyn aan mijn moeder.
Ik schud mijn hoofd, maar even later weet ik niet wat ik met het velletje moet doen – naast de chesterfieldbank slaapt een witte kat.


Van mij mag dit stukje Tante Gwendolyn heten. Die wordt lekker typerend neergezet.