Ome Kobus was de jongste broer van mijn moeder. Als hij er op de verjaardagen van mijn ouders was, wilde ik altijd dicht bij hem zitten. Het was een rustige, charmante man. Gebruind met een David Niven-snorretje. Hij had een hese – en ik denk voor veel vrouwen een sensuele – stem. Zijn echtgenote was zwaar astmapatiënt en kwam alleen mee als er in de serre niet gerookt werd.
Mijn moeder had me eens verteld dat ome Kobus in Indië was geweest en daar hele gevaarlijke dingen had gedaan. Later vertelde mijn vader dat hij bij de elitetroepen had gezeten en aan speciale missies had deelgenomen.
Als ik onopvallend naar ome Kobus keek, zag ik hoe soms even zijn mond vertrok. Vreemd.

Net als ik denk dat we de hele familie Olierook wel zo’n beetje gehad hebben, blikt er toch weer een familielid op te duiken. Bijna Italiaanse toestanden Willem. Wat zit er nog meer in het vat? Grt.
Ach Luc, met die grote katholieke gezinnen in het Westland van de vijftiger jaren kan ik nog wel even vooruit 🙂
@Willem: je gunt zo’n oom iemand bij wie hij zijn verstopte verhaal kwijt kan.
Lisette, ja, maar dat was in die tijd helaas vaak niet zo.