Zijn pass was fluweel. Zijn aanname briljant. Die van ons niet. Een vriendinnetje had hij nooit.
Het was in de tijd dat een kast alleen was om er iets in op te bergen.
Vaak geblesseerd. Liesblessures. ‘Welk standje heb je nou weer gedaan, Fred?’
Fred zei niets. Wij wel, variërend van ‘hij is zo ruig als de deurmat’, wat zeker niet letterlijk klopte, want baardgroei had Fred niet, tot ‘hij is van de verkeerde kant’.
Aan de overkant kant van mijn straat is Fred komen wonen, met een vrouw en kinderen.
‘We zijn gescheiden, Fred. Ellie blijkt van de vrouwenliefde te zijn.’
‘Dus toch?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik had al zo mijn vermoeden. Maar dat kon natuurlijk mijn aanname zijn.’


Han, mooi met de dubbele betekenis van het begrip ‘aanname’ gespeeld.
Ewald, dank je wel.