‘Wil ik het wel weten?
Kijk, genomen toen we veertig werden, met Henkie en Hansie tussen ons in: tien jaar oud. Zie jij wie wie is?’
‘Ja, ik weet dat jij altijd een stropdas droeg. Hans nooit.’
‘Haha, voor de gein had Hans een stropdas omgedaan; verwarring vonden we toen nog leuk.’
‘Jullie kinderen kan ik nog steeds niet uit elkaar houden, ze lijken ook wel een tweeling.’
‘Ik zal het je vertellen: Sonja en Sylvia – ook eeneiig – bleken ‘onderling uitwisselbaar’. Begrijp je? Als alles hetzelfde is, heb je weleens behoefte aan variatie.
Nu Hans er niet meer is, pleeg ik dan verraad als ik uit laat zoeken of Hansie of Henkie mijn bonusbloedverwant is? – misschien wel allebei. Of geen.’


Ik durf er niet op in te zetten. Laat staan wedden. Huwen mag ook. Leuke dubbele inval Luc.