Als voordrachtskunstenaar leed hij een sober maar bevredigend bestaan.
Het hypotheekvrije huisje dat zijn ouders hem hadden nagelaten, maakte dat hij verder weinig nodig had om van te kunnen leven.
De werken die hij voordroeg waren – op één regel na – allemaal aan breinen van anderen ontsproten. Het kon hem niet deren. Er is zoveel moois geschreven, daar hoef ik niets aan toe te voegen, was zijn vaste antwoord op de immer gestelde vraag.
Zijn openingszin – zijn eigen tekst – luidde veelbelovend: ‘Mijn keel is mijn penseel’.
Vervolgens vergastte hij zijn publiek op sprookjes en andere verhalen, waarbij zijn stem net zo makkelijk het twinkeleren van een lijster losliet als het gerommel van een vulkaanuitbarsting.
Altijd was het publiek met stomheid geslagen.

Heel bijzonder. Ik worstel wat met de laatste zin.
@Levja, als je als kunstenaar je publiek zo kunt verbazen, dan kun je mensen (figuurlijk) met stomheid slaan.