‘Weet u wat het is, meneer? Tot op zekere hoogte geloof ik alles. Maar geloven doe je in de kerk, en daar kom ik niet meer.
Wat ik wéét, net zoals de regering, is dat de parken en stranden vol zaten met die secreten – sorry dat ik het zeg. En de goeden niet te na gesproken; studerend of niet.
Maar zo gaat dat, hè. Vooral niet optreden waar dat moet. Weet u het nog, die Damslapers vroeger? Waar blijven de mariniers nu om de brandspuit op dat onopgevoede feestende gajes te zetten? Want feesten moet. Mag ik alsjeblieft tevreden blijven met mijn saaie leven?
Straks loop ik hyperventilerend in de Febo; hoe moet ik mijn kroketje achter dat mondkapje krijgen?’


Ja, eens.
Dank je, Lousjekoesje.