Het constante grommende gekreun maakte van de ziekenboeg een deprimerende plaats. Daarbij was de stank van etterende wonden en ongewassen kerels niet te harden.
De aalmoezenier maakte weer z’n ronde langs de bedden. Bij de een werd hij met een uitgespuwde vloek weggejaagd, een ander wilde hem grijpen en kussen.
Bij soldaat Geraeds aangekomen zag hij een hand onder de vodden uitkomen die hem wenkte.
‘Dag Jacques,’ sprak de aalmoezenier zacht en knielde bij de jonge man neer. ‘Hoe gaat het vandaag?’
‘Dag aalmoezenier,’ fluisterde de soldaat, ‘slecht, m’n poot moet eraf.’
‘Tjonge Jacques, wat erg voor je.’
‘Aalmoezenier, wilt u …’
‘Wat Jacques?’
‘Wilt u voor me bidden?’
‘Ik bid sinds deze oorlog niet meer knul. God is hier niet.’


Beste Willem Olierook, welkom op 120w! We vinden het leuk dat je meeschrijft op onze site! Als je vragen of opmerkingen hebt horen we het graag. En vergeet niet dat je altijd in gesprek kunt gaan met je collegaschrijvers via de reactiepanelen.
Groeten en veel 120 woorden lees- en schrijfplezier gewenst!
De 120w-redactie