‘Ik haal even de tillift.’
Even later reed er een stalen geraamte de kamer in. Het was een apparaat waar een soort zak aan hing. Een zak die wel iets weg had van de doek die een ooievaar in de mond heeft bij een geboorte. Het leek op een stoffen wiegje.
‘Zo mevrouw, komt u maar.’
Deze mevrouw had niets meer te komen, bedacht ik, terwijl ik me nog iets verder naar achteren verplaatste. Om er niet bovenop te staan terwijl zij opgehesen werd. De wieg was in een zak veranderd. Twee doffe ogen keken me aan vanuit een klein geworden lichaam dat opgekruld lag. Ze wiegde hoog heen en weer. Nu snap ik waarom de hemel geen tillift heeft.


Pijnlijke werkelijkheid, maar wat een mooi einde.