Voor het graf van haar moeder blijft Fleur staan. Ik volg het vanop een afstand. Ze blaast bellen. Grote, kleurrijke bellen. Als er één uiteenspat, kijkt ze me aan. Met waterige ogen. En kerkklokken op de achtergrond.
Ik schuifel dichterbij. Een loodzware schaamte zeul ik met me mee.
‘Stoort het dat ik hier bij je sta?’
Ze kijkt me onbewogen aan.
‘Daarnet was ik minder alleen,’ zegt ze.
Haar ijskoude stem slaat me in het gezicht.
Ik draai me om en ga bij een onbekende man voor een ander graf staan.
‘Ze is vredig gestorven,’ zegt hij.
‘Net als mijn vrouw,’ zeg ik. ‘Maar die dag brak thuis de oorlog los.’
Ik kijk over mijn schouder. Fleur is opnieuw verdwenen.


Recente reacties