Op vlaggetjesdag moet de heer Vreeswijk weer even aan vroeger denken.
‘Fatsoenlijke armoede’, zo heette het bestaan van de ambtenaar. Vader was waterklerk; dankzij hem stroomde er water uit de kraan.
Vrijdags nam vader vaak haring mee. Eerst moest de haring gewaterd worden, anders was het te zout. Daarna maakte vader ze schoon. Vader en moeder pakten het beestje dan bij de staart en lieten hem zo de keel in glijden. Voor hem werd de haring in mootjes gesneden met een rood-wit-blauw vlaggetje erin geprikt.
‘Vader, je moet nu even wachten met kopen tot vlaggetjesdag, want de haring is tranig,’ zei moeder op een dag in april.
Dat begreep de jonge heer Vreeswijk niet: hoe kan dode vis nu huilen?


Recente reacties